Een neger in het dorp.

Dit verhaal toont grote gelijkenis met de komst van waarschijnlijk de eerste “zwarte” onderwijzer in Nederland uit Suriname, in de jaren dertig van de vorige eeuw in mijn eigen dorp. Een man, die het tot hoofdonderwijzer schopte , een Duitse vrouw trouwde, een echte dame, een stel waar je tegen op zag en alleen maar respect voor kon hebben.

Kinderboek Het boek Een neger in het dorp blijkt
gebaseerd op de komst van Surinamer Sip Dens
naar Sint Pancras in de jaren vijftig.

Rudi Kagie
22 augustus 2014

2208apsipp

Janny Dens-Kooy en Joseph Renardus Dens (Sip ) trouwden in 1960, nadat Sip zich
hervormd had laten dopen.
In Een neger in het dorp, een kinderboek uit de stal van de christelijke uitgeverij Callenbach, beschreef Nel Verschoor-van der Vlis aan het begin van de jaren vijftig hoe „acht wilde rakkers” reageren op „een néger, een echte, dikke, zwakke nikker” die door hun witbesneeuwde dorpsstraat wandelt. Zodra ze van de schrik zijn bekomen, roepen de
kinderen „de man met zijn zwarte kroeskop” in koor na: „Pieéieéeét! Zwarte Piet! Wat moet je in ons dorp? Sinterklaas is al lang naar Spanje!”

En: „Héé, nikker, nikker, nikkertje! Jij lijkt niet op een kikkertje!” Het uitjouwen gaat over in een rijmpje met een wijsje, meldt de schrijfster. „Ze lopen opeens arm in arm en hossen op de maat van het versje achter hem aan.”

De neger vervolgt onverstoorbaar zijn weg, maar zodra de kinderen sneeuwballen naar hem beginnen te gooien, keert hij zich met een ruk om. „Hij veegt met zijn zwarte hand de sneeuw van zijn haar. Tussen zijn dikke lippen blinken zijn tanden en zijn zwarte ogen rollen woest door zijn hoofd.” Als de vreemdeling aanbelt bij bovenmeester Veraart die naast de school woont, maken de belhamels zich verschrikt uit de voeten.
De volgende ochtend moeten alle leerlingen naar de gymzaal komen waar „een neger zal
vertellen van zijn werk bij de zending”. Het incident lijkt vergeten. De zwarte man begroet de kinderen opgewekt en verhaalt in zowaar verstaanbare bewoordingen over het ziekenhuis dat een blanke dokter met Gods hulp in het oerwoud opende. Het ontbreekt de patiënten ginds aan alles, er is geen geld voor medicijnen. De gastspreker maakt daarom een rondgang langs scholen om geld en goederen voor het hospitaaltje in te zamelen. Beschaamd over hun treitergedrag gaan de scholieren aan de slag om het zegenrijke werk in de jungle te helpen waar ze kunnen. Eind goed, al goed.
Een neger in het dorp is niet zomaar een braaf kinderboek, maar een unieke schets van hoe de samenleving in de jaren vijftig op de aanwezigheid van de donkergekleurde medemens reageerde; daar kwam zelfs de literatuur voor volwassenen in die tijd niet aan toe. Voor haar ruim zestig kinderboeken putte Nel Verschoor-van der Vlis (1909-1996) vooral uit eigen ervaringen. Volgens dochter Diet Verschoor (1946, zelf schrijfster van dertig kinderboeken) speelt Een neger in het dorp zich af in Vlissingen, waar het gezin van dominee Arie Verschoor in de jaren vijftig woonde.

Een_neger_in_het_dorp

Een geografische aanwijzing in het boek doet echter anders vermoeden. Op pagina 7 staat:
„De Bovenweg en de Benedenweg, groter dan deze twee wegen is dit dorp niet.” Wacht, zegt Diet Verschoor, in dat geval was het niet Vlissingen, maar Sint Pancras. De gereformeerde predikant werd tijdens de oorlog in dit Noord-Hollandse dorp beroepen en gaf leden van het verzet in het kerkgebouw schietles. Toen uitlekte wat zijn rol was, moesten de dominee, zijn echtgenote en dochters in de Wieringermeer onderduiken.
Klazine Visser-Kloosterboer (1923) uit Sint Pancras en haar man waren in 1945 het eerste
paar dat na de oorlog door dominee Verschoor in de echt werd verbonden. De personages
uit Een neger in het dorpkan mevrouw Visser moeiteloos herleiden tot dorpelingen die ze
heeft gekend. Bovenmeester Veraart heette in werkelijkheid Ten Hoeve, een aardige man,
maar verschrikkelijk streng. Met de neger kan niemand anders zijn bedoeld dan Sip Dens, een ingetogen Surinamer die volgens haar bij de zending werkte en met Janny Kooy uit de
Benedenweg was getrouwd. „Dat was een bezienswaardigheid hoor. Zo’n neger, dat wilde
iedereen zien. De meeste tuinders in Sint Pancras waren nooit het dorp uit geweest, ze hadden geen idee van wat in de wereld te koop was.”
Joseph Renardus Dens (1926-2008) emigreerde op jonge leeftijd naar Curaçao om bij Shell te gaan werken. Op advies van zijn chef verhuisde hij in 1950 naar Nederland omdat er voor hem als zwarte op het eiland geen toekomst zou zijn. Hij kon in Amsterdam aan de slag bij het Gemeentelijk Energiebedrijf, het GEB, een lettercombinatie die verantwoordelijk was voor het hardnekkige misverstand dat hij aan de Evangelische Broedergemeente (EBG) verbonden zou zijn. Een bevriende collega was getrouwd met een zus van Janny Kooy uit Sint Pancras. „Hij kwam een keer mee. Ik vond hem meteen leuk”, zegt Janny Dens-Kooy (85), die tegenwoordig bij dochter en schoonzoon inwoont in Hattem. „Mijn ouders waren erop tegen toen we verkering kregen, maar dat kwam omdat hij katholiek was. Het geloof was belangrijker voor ze dan de huidskleur. Sip en ik trouwden in 1960, nadat hij zich hervormd had laten dopen.”
Dat haar man werd uitgescholden voor Zwarte Piet of met sneeuwballen werd gekogeld kan mevrouw Dens zich niet herinneren. Ja, er stond ooit een meisje aan de deur om een zeepje te brengen, maar dat was lief bedoeld. Wisten die kinderen veel. Die dachten echt dat blank worden een kwestie van goed wassen is. „Volgens mij heeft de schrijfster het verhaal van Een neger in het dorp gewoon verzonnen”, zegt mevrouw Dens. „De beschrijving van het dorp klopt, maar de gebeurtenissen niet.”
„Ik vond het boekje wél heel herkenbaar”, zegt dochter Judith Dens (1965). „Er woonden in de wijde omtrek verder geen zwarte mensen. Zelfs op de middelbare school in Alkmaar
waren mijn zus en ik de enige twee zwarte leerlingen. We werden vaak uitgescholden voor
Zwarte Piet. Ik was tien toen Suriname onafhankelijk werd en we rotopmerkingen over terug naar eigen land kregen. Mijn vader moet dat ook hebben meegemaakt, maar daar sprak hij niet over. Hij vermeed contact met andere Surinamers omdat hij bang was dat dit aansluiting bij de Nederlandse samenleving in de weg zou staan.”
Op de rouwkaart stond in 2008 het motto dat Sip Dens op een papiertje altijd bij zich droeg: “Wie ophoudt met aardige dingen te zeggen, houdt op met het denken van aardige dingen.”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s